De vergeestelijking van de ziel

Geest is de initiator, het principe. In zichzelf is de Geest leeg, ongevormd en zonder Ruimte en Tijd. Ruimte is de ontvangende, de openheid. In zichzelf is Ruimte volledig open, ongevuld en dus leeg. Het initiatief van de Geest, de intuïties die ervan uitstromen is als de wind. De Ruimte is als een stil wateroppervlak. Wanneer de Geestwind over de Ruimtezee blaast, komt deze in beroering. Er ontstaat een golfbeweging. Deze beweging is mogelijk door Tijd. De energie van de golfbeweging is Geest-adem; de substantie die golft is Ruimte. De golfbeweging zelf is Tijd. Alles wat verschijnt is Tijd. Werelden, beschavingen, biografieën zijn Tijd. Hoewel zij lijken op te komen, te bloeien en te verdwijnen, is hun beweging als geheel opgenomen in Tijd. Deze beweging is de inhoud van Tijd: de Akasha. Op- en neergang worden door Tijd met elkaar in evenwicht gehouden, waardoor een dynamisch geheel ontstaat dat voort kan duren. Zonder dit evenwicht zou er geen golving kunnen zijn, geen ‘vormduur’. De Akasha, het ‘lichaam van Tijd’ is op te vatten als de universele ziel. Zijn inhoud is de universele schatkamer. De fysisch-psychische constitutie van elke mens omvat een bepaal ‘deel’ van de Akasha. Door dat ‘deel’ en de manier waarop dit verbonden is met de Akasha als geheel, is hij verbonden met een bepaald verleden, een bepaalde erfelijkheidslijn, een bepaald ras, een bepaalde natie, enzovoorts. Het is Tijd, Akasha, die de belichaming van de mens geïntegreerd houdt met de kosmische omgeving.

Ieder mens werpt na zijn lichamelijke dood een blik in zijn deel van de Akasha en herkent zijn verbondenheid daarmee. Hij zal dan ook zien wat hij door zijn voorafgaande leven aan de Akasha, aan de ziel van het universum heeft bijgedragen. In esoterische termen gesproken zal hij de ‘heer van het Karma’ ontmoeten. In de spiegel die deze ‘heer van het Karma’ hem voorhoudt zal hij de kwaliteit van zijn bijdrage – positief of negatief – aanschouwen vanuit het rechtvaardige, onbevooroordeelde perspectief van de Akasha als geheel. Er zijn mensen die bij leven een blik hebben kunnen werpen in deze ‘zielsinhoud van het universum’, en die gewandeld hebben door de eindeloze zalen en niveaus van het ‘gebouw van de Tijd’. Zij zullen dan dichtbij, groot en duidelijk uitgelicht, datgene hebben kunnen zien wat verbonden is met hun eigen biografie, hun eigen erfelijkheidsstroom, volk en tradities. Veel vager, kleiner en verder weg zullen zij andere zalen en ruimten zien, andere niveaus en dimensies. Zieners als Dante, Rudolf Steiner en Daniil Andreev hebben diep in de Akasha kunnen kijken. Hun beschrijvingen vertonen overeenkomsten maar ook grote verschillen die verklaarbaar zijn uit hun verschillende persoonlijke achtergronden.

De menselijke ziel is echter méér dan een fysisch-psychisch product van een deel van de Akasha. Zou dat zo zijn, dan zou de mens nooit vrij kunnen omgaan met wat hij vanuit de Akasha geërfd had. Hij zou slechts handelen vanuit instincten, onvrij. Hij zou een marionet, een robot zijn die volledig gestuurd wordt vanuit een onpersoonlijk, soortmatig ‘verleden’. Dit handelen zou niets aan de Akasha toevoegen of daarin veranderen. De mens zou geen karmisch werk doen.
Dit is echter niet het geval, want de menselijke ziel staat ook open voor de Geest. Zijn Ik-wezen, dat zélf Geest is, maar dat tevens tot zijn ziel behoort, kan de Akasha-inhoud van de ziel openen stellen voor de Geest. Door de mond van het Ik-wezen ademt de Geest over de Akasha, over de schatten van de Tijd. Door het altijd-nieuwe en vrije Geestwoord bij monde van zijn Ik-wezen, dat zelf Geest is, in de ziel uit te spreken wordt dit tot wilswerking van dat Ik-wezen. Zo kan de mens vanuit zijn Ik het deel van de Akasha dat tot zijn fysisch-psychische constitutie is geworden ‘verlichten’, omwerken. Door dit vermogen – de vrije geestelijke wil -onderscheidt de mens zich van de wezens uit de andere natuurrijken. Hij is in staat om het met hem verbonden deel van de Akasha, zijn karma, te bewerken, te veranderen.  Zou deze bewerking zich geheel in dienst van de Geest, als een zuiver morele en onzelfzuchtige kracht vanuit zijn geestelijke Ik-wezen voltrekken, dan zal die mens het hem toegemeten deel van de Tijd vergeestelijken. Dit door hem vergeestelijkte deel van de schatkamer wordt op een niet aan ruimte en tijd gebonden manier in de Geest opgenomen. De aldus uit ‘zielesubstantie’ gevormde ‘geeststof’ is niet te vergelijken met enige in Ruimte en Tijd aanwezige substantie en daarom niet te beschrijven.

Hoe meer de ziel vanuit het verleden aan de Geest weet over te dragen, Des te rijker maakt ze hem. Op deze wijze draagt de ziel aan de Geest datgene over, wat ze zelf van het lichaam heeft ontvangen. Deze schatten blijven bepaald niet in ongewijzigde vorm in de Geest bestaan. De Geest vormt de schatten van het geheugen om in bekwaamheden. Hij put er de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Zo gaat geen enkele belevenis onbenut voorbij: de menselijke Geest groeit door het verwerken van datgene wat beleefd wordt. (Naar Rudolf Steiner, Theosofie, 'De wederbelichaming van de Geest en het Levenslot')

Omdat deze vergeestelijking van de Tijdsinhoud van de ziel uitgaat van het menselijke Ik-wezen, wordt datgene wat daaruit resulteert tot de geestelijke constitutie van die mens. Anders gezegd, die mens vergeestelijkt een deel van zijn fysisch-psychische wezen. De Geest heeft zich in eerste instantie geschonken aan de Tijd. Dat is tot uitdrukking gekomen in de bezieling van de natuur. Uit die door de Geest bezielde natuur is de menselijke ziel voortgekomen die het vermogen heeft om het bezielde in zichzelf én in de gehele natuur terug te schenken aan de Geest, daarmee de Geest bezielend. Het bezielen van de Geest is de mystieke drijfveer van alles wat zich in Ruimte en Tijd voltrekt.